Mark Saey | Civiclab

2.3. Eén wereld

Om na de kerstvakantie het traject terug snel op de sporen te krijgen, deed de groep mee aan een optocht van mensen zonder papieren en middenveldorganisaties in Antwerpen: wat is dat eigenlijk, het recht op betogen?

Waarom men betoogde (flyer):

“Wij, de mensen zonder papieren, zijn hier. In deze stad. In dit land. Wij leven hier. Wij wonen hier. Wij consumeren hier. Wij gingen hier zelfs naar school, volgden opleidingen voor we illegaal verklaard werden. Wij werken hier, noodgedwongen, zwart. Sommigen onder ons zijn hier al lang. Zes, zeven, acht jaar; het is geen uitzondering. Ondertussen sluit men ons en onze kinderen op in gevangenissen. Willekeurig worden wij uit onze woningen, van de straat, de tram, onze – zwarte – werkvloer geplukt. Terug meer en meer. Velen van ons kunnen om allerlei redenen niet terug naar het land waar we vandaan komen. Daarom vragen wij dringend een ander asiel- en migratiebeleid. Concreet: een onmiddellijke stop aan het willekeurig oppakken, opsluiten en repatriëren. Regularisatie op basis van duidelijke en humanitaire criteria.”

Mark Saey | Civiclab

Uit het dagboek van een van de leden van het groepje “Diaries”:

“Niet enkel mensen zonder wettig verblijf kwamen de straat op, ook vele anderen kwamen hun solidariteit tonen. Net zoals wij. Al die verschillende nationaliteiten verenigd op dat ene plein, net een kleurdoos. Ik genoot van de speciale wereldse sfeer die er hing op de Groenplaats. En toen… toen begonnen wij, samen met een duizendtal gelijkgezinden, aan onze protesttocht door de Antwerpse binnenstad. Het groepsgevoel dat heerst tijdens zo’n betoging was overweldigend. Met een glimlach werd er een eenheid gevormd… kon dat maar met alles op deze aardbol. Sociale verandering gebeurt niet zomaar, daar wordt voor gestreden! En wij hebben gestreden met woorden, in koor, allemaal samen… ‘Nous ne sommes pas dangereux. Nous sommes en danger!’ Régulariser – tous les sans papiers!’ De slogans galmden door de straten en waren te lezen op verscheidene bordjes die allerlei mensen met zich meedroegen […]. Na heel wat sfeer, samenhorigheid en solidariteit, kwamen we aan op een pleintje waar iedereen net op kon. Velen hadden gekleurde bladen bij zich met daarop cases van gevluchte en opgepakte mensen zonder papieren. Deze bladen werden met cadeaulintjes in een klimweb gehangen dat op het pleintje stond. Ik heb er zelf eentje aan gehangen en heb dan zitten kijken naar dit mooie tafereeltje, terwijl er straffe toespraken werden gehouden door vakbondsvertegenwoordigers en anderen. Het web deed me denken aan de wereld, waar iedereen zijn plekje zoekt. Met een tevreden gevoel keerde ik terug naar huis.” (JWW, p.217-218)

De derde stap in de analyse, voor de vakken Geschiedenis en Aardrijkskunde, behandelde de spontaan gerezen vragen naar de oorzaken van de diverse mondiale problemen waardoor zovele mensen in de wereld op de vlucht slaan. Om die te kunnen beantwoorden heeft men een algemeen inzicht in de ontwikkeling van de (theorie over) de moderne wereld nodig. Dat bouwden we op met de leerstof van de tekst “Algemeen inzicht”.

Algemeen inzicht in de moderne wereld.

Van Modernisering naar Wereld-systeemanalyse (3de trap in de Analyse)[1]

  1. Moderniseringstheorie

Lange tijd dachten veruit de meeste sociale wetenschappers dat ieder land een onafhankelijke ontwikkeling kende. Die ontwikkeling zou in alle landen wel een gelijkaardig patroon volgen. Ieder land vertrok van een primitieve of traditionele startfase, en passeerde dan via een aanloopfase over een take-off fase en een industriële fase, om uiteindelijk zijn bestemming te bereiken in een ontwikkelde consumptiemaatschappij. Die theorie noemt men het “vooruitgangsdenken” of de moderniseringstheorie. Het bekendste voorbeeld van dat denken is de theorie van Walt Rostow, die hij neerschreef in zijn boek The Stages of Economic Growth uit 1960, met als ondertitel A Non-Communist Manifesto (niet verassend wanneer je bedenkt dat het geschreven werd tijdens de Koude Oorlog en de VS toen als consumptiemaatschappij onmiskenbaar veel meer ontwikkeld was dan de USSR).

Mark Saey | Civiclab

 Volgens de moderniseringstheorie zaten de verschillende landen dus allemaal in verschillende fasen van eenzelfde ontwikkelingspatroon. Ze bevonden zich allemaal op de weg van vooruitgang naar een consumptiemaatschappij, waarvan de VS het toonbeeld was. Die theorie was in de vorige eeuw ook van grote invloed op de ideeën en plannen om ontwikkelingslanden vooruit te helpen. Zat een land achterop, dan moest het proberen om de politiek van de landen die op voorsprong lagen beter na te bootsen. Dan zou het dezelfde vooruitgang maken. Wat dat inhield, reflecteerde de binnen deze visie onvermijdelijke eigendunk van de rijke, meer ontwikkelde landen. De achterstand van de andere landen werd dan ook toegeschreven aan hun gebrek aan technologische innovatie, vrijemarkteconomie, arbeidszin, wetenschap en beschaving. In feite dacht men in deze visie dat de cultuur in de ontwikkelingslanden nogal achterlijk was of toch onvoldoende “westers”. Hun achterstand was op de keper beschouwd dus vooral hun eigen schuld. De ontwikkelingslanden moesten zich dan ook zo snel mogelijk aanpassen, of in het modewoord van die jaren: ‘moderniseren’, wilden ze aanspraak kunnen maken op steun van de internationale gemeenschap (de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds in het bijzonder).

Dergelijke theorieën geven mensen een beeld van de wereld dat ook van invloed is op het onderwijs en op hoe mensen meer algemeen over zichzelf en hun samenleving denken. Met de moderniseringstheorie zien mensen de wereld als opgedeeld in verschillende landen met elk een afzonderlijke samenleving. Op school kregen leerlingen in de les geschiedenis ook vrijwel uitsluitend les over de geschiedenis van hun eigen land op de weg van vooruitgang. Zij leerden zich dan ook bovenal zien als Belg, Duitser, Amerikaan, enz. De wereld leek verdeeld in verschillende nationale samenlevingen, die men op een schaal van vooruitgang kon plaatsen, met aan de ene pool “moderne” en aan het andere uiteinde “achterlijke” landen.

Dergelijke opvattingen bleven – hoewel er binnen de sociale wetenschappen mettertijd stevige kritiek kwam opzetten – nog lange tijd gemeengoed. Zo schreef nog in 1994 de Nederlandse wis- en natuurkundige Wim Rietdijk: ‘Mensenrechten, individuele vrijheid en een rationeel waardenstelsel vormen zozeer een mede uitvloeisel van de algeheel technisch-industriële ontwikkeling die deel uitmaakt van het ‘moderne project’, dat dit laatste ook daardoor alle morele recht bezit om zichzelf in de meeste opzichten ten voorbeeld te stellen. Om naast technisch-economische ook morele superioriteit te pretenderen ten opzichte van de oceanen van corruptie en armoede door inefficiëntie, verstarring en groepsprivileges in de Derde Wereld.’ (Rietdijk C.W., 1994, Verdediging moderniteit tegen oude en nieuwe mandarijnen en manipulatievormen, in: Cauwenberg S.W. (red.): Westerse cultuur: model voor de hele wereld?, Kampen: Kok Agora)

  1. Dependencia

 Hoewel de moderniseringstheorie in het Westen het voornaamste denkkader bleef, begonnen eind jaren 1960, begin jaren 1970 enkele intellectuelen en wetenschappers uit het Zuiden kritische vragen te stellen, waaruit bleek dat het vooruitgangsdenken de wereld verkeerd voorstelt. Zij vroegen zich bijvoorbeeld af: Als alle landen vooruit zouden gaan, waarom gaat het dan in zoveel landen slechter? Als alle landen eenzelfde patroon volgen, hoe kon de VS, toch een zeer jonge staat, op zo korte tijd verder staan dan het machtige Groot-Brittannië? Kunnen landen dan stappen overslaan of hun eigen weg gaan? Indien wel, waarom zouden de landen in de Derde Wereld dan de ontwikkeling van de westerse landen moeten volgen? Als men in de rijke landen zogezegd steeds rationeler wordt, hoe verklaren jullie dan het toenemende nationalisme in jullie landen? Enz.

Deze kritische wetenschappers, met als voornaamste exponent Andre Gunder Frank (de bedenker van ‘de ontwikkeling van onderontwikkeling’), stelden resoluut dat het vooruitgangsdenken meer met ideologie (politiek plan) dan met wetenschap te maken had. Het had immers bovenal nauwelijks oog voor de lange geschiedenis van het kolonialisme en het neokolonialisme, waarbij sinds lang onafhankelijke staten in het Zuiden nog steeds economisch worden uitgebuit en ook via internationale weg politiek onder de knoet worden gehouden door het Noorden.

Onderontwikkeling was in de ogen van deze critici dus geen kwestie van traditionalisme of achterlijkheid, maar van afhankelijkheid (vandaar de benaming dependencia-theorie). De economieën van het Zuiden werden tijdens het kolonialisme zo ingericht dat ze de noden van het Noorden konden dienen: als goedkope leveranciers van grondstoffen en arbeid, als exporteurs van landbouwproducten (monoculturen) en importeurs van dure afgewerkte producten uit het Noorden. Het neokolonialisme houdt die ontwikkeling van onderontwikkeling in stand, ondanks de formele onafhankelijkheid van de staten in het Zuiden, door er voor te zorgen dat de machthebbers in het Zuiden een politiek blijven voeren die gunstig is voor het Noorden en een kleine minderheid rijken in hun eigen landen.

Mark Saey | Civiclab

‘Er zijn natuurlijk nog een aantal andere factoren die de landen van het Zuiden parten spelen: snelle bevolkingsgroei, lage scholingsgraad, […] technologische achterstand, woestijnvorming, corruptie, overbewapening, burgeroorlogen, enz. Deze factoren zijn evenwel geen noodzakelijke of essentiële voorwaarden voor de armoede of de onderontwikkeling. Ze veroorzaken de toenemende kloof tussen Noord en Zuid niet, ze zijn er integendeel vaak het gevolg van. Enkele voorbeelden. Oorlog is vaak het gevolg van armoede en miserie. Corrupte dictators zijn in vele gevallen de beschermelingen van de broodheren uit het Westen. Bloedige dictators zoals Marcos en Mobutu konden tot op het laatste moment op de volle steun rekenen van de metropolen uit het Noorden. […] Deze factoren veroorzaken de kloof niet maar bestendigen en versterken die wel. En zo komen die landen in een vicieuze cirkel terecht.’ (idem.)

De critici wezen er dus op dat de moderniseringstheorie de wereld verkeerd voorstelt. Landen ontwikkelen niet los van elkaar, zij blijken delen te zijn van een groter geheel, waarbinnen een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen rijke en (uitgebuite) arme landen. Dat verandert uiteraard de verklaring en het oordeel over achterstand in de wereld. Het vooruitgangsdenken werd verweten racistisch te zijn en in de kaart te spelen van de rijke landen en hun multinationale bedrijven. Daarnaast bleek uit onderzoek van antropologen dat de culturen in de voormalige kolonies vaak veel rationeler zijn dan men op het eerste gezicht zou denken.

Maar de analyses van de dependencia-theorie hadden echter ook een aantal ernstige gebreken. Het is immers niet zo dat alle landen in het Zuiden steeds even arm blijven of armer worden. Landen in het Noorden verloren in de geschiedenis ook aan macht en status in de wereld. Bovendien passen niet alle landen in de twee categorieën van rijke (metropool) landen en arme (perifere) landen; aardig wat landen vormen een door de afhankelijkheidsdenkers niet genoemde tussencategorie. De kritiek dat het vooruitgangsdenken het belang van de lange geschiedenis van kolonialisme en neokolonialisme verdonkeremaande mag dan correct zijn, het beeld van de wereld moet wel veel dynamischer en gediversifieerd zijn. Daarnaast bleven ook nog andere, vooral politieke en culturele fenomenen buiten het gezichtsveld van de afhankelijkheidsdenkers. Deze tekorten gaven de moderniseringstheorie telkens weer de gelegenheid om zijn critici aan te vallen.

  1. Wereld-systeemanalyse

 Begin jaren 1980 werkten enkele andere kritische onderzoekers verder met de ideeën van de wetenschappers uit het Zuiden. Ook geïnspireerd door Franse historici die economische ontwikkelingen op de heel lange termijn bestudeerden, en door het beste dat het marxisme nog te bieden had, zouden zij tot een echt mondiale blik op de wereldgeschiedenis komen.

Hun mondiale blik noemt men de wereld-systeemanalyse (WSA). De grondlegger en tevens bekendste vertegenwoordiger ervan is Immanuel Wallerstein, auteur van onder meer Historical Capitalism (1993, N.Y.:Verso) en een reeks lijvige boeken over de geschiedenis van het moderne wereld-systeem: The Modern World-system I-IV (1972, 1980, 1989, 2011, N.Y./San Diego: Academic Press/UCP). In een periode van enkele decennia kunnen wel meer vernieuwingen optreden in het wetenschappelijke bedrijf, maar men kan gerust beweren dat WSA voor een heuse aardverschuiving zorgde in de manier waarop we naar de wereld kijken.

Ten eerste is WSA het eens met de afhankelijkheidstheorie dat landen of natiestaten maar deeltjes zijn van de echte samenleving. Dankzij de aandacht voor de mondialisering wint die opvatting gemakkelijker veld in de wetenschappen. Maar volgens WSA is die mondialisering wel al enkele honderden jaren bezig. Daarmee zat ook het denken over de wereld al zo’n 200 jaar op een verkeerd spoor, en ontbeert het moderne wereldbeeld een goed onderbouwde visie op de mogelijke toekomsten van de menselijke beschaving.

WSA deelt zo ook de kritiek van de afhankelijkheidsdenkers dat de moderniseringstheorie – door het wegcijferen van kolonialisme en mondialisering – inderdaad een voorbeeld is van wat de geograaf James Blaut in de jaren 1990 (op basis van onder meer onderzoek naar geschiedenishandboeken) zonder dralen The Colonizer’s Model of the World zou noemen (1993, N.Y.: The Guilford Press).

Maar WSA verschilt ook van de dependencia theorie. Zij heeft, zoals we nog zullen zien, net dat meer dynamische en gediversifieerde beeld van de (moderne) wereldgeschiedenis om de tekorten van de afhankelijkheidstheorie te kunnen opvangen.

Daarnaast verenigt de mondiale blik van WSA ook alle sociaalwetenschappelijke disciplines. Voor haar is de sociale werkelijkheid immers één ondeelbaar geheel, waardoor bijvoorbeeld economie niet los kan worden gezien van het sociale, de politiek en de geschiedenis. De aanpak van WSA overstijgt daarmee ook de tegenstelling tussen de aandacht voor het bijzondere of het veranderlijke van de historicus, en de concentratie op wat altijd hetzelfde blijft van de traditionele sociale wetenschapper. Voor WSA is de werkelijkheid zowel historisch als structureel. Vandaar dat wat WSA onderzoekt, historisch sociale systemen worden genoemd.

Mark Saey | Civiclab
Mark Saey | Civiclab

3.1. Historisch sociale systemen

 Wereld-systeemanalisten kijken naar maatschappijen als historisch sociale systemen: gehelen met een begin en een einde in zowel tijd als ruimte. De geografische grenzen worden bepaald door de arbeidsdeling: de verdeling van al het werk dat nodig is om het systeem in stand te houden. In de wereldgeschiedenis herkennen ze drie soorten historisch sociale systemen.

3.1.1. Mini-systemen (één economie, één politiek systeem, één cultuur)

 Mini-systemen is de naam die wereld-systeemanalisten bedachten voor wat men traditioneel ‘primitieve samenlevingen’ noemde. Conform het werk van antropologen over de rationaliteit van het leven in dergelijke samenlevingen hanteert WSA die benaming niet meer. Het ging weliswaar om samenlevingen met (naar moderne maatstaven) beperkte technologische middelen – een beetje landbouw, jagen en verzamelen, eenvoudige behuizing, een veel kortere gemiddelde levensduur – maar zij kenden niet zelden een vrij democratische besluitvorming voor alle kwesties die voor de groep van belang waren, en hadden dikwijls een veel harmonieuzer omgang met de natuur dan die welke wij er vandaag op nahouden.

Wat WSA voor een goed begrip van die samenlevingen fundamenteel acht, is dat zij een verdeling van arbeid kenden die samenviel met één politieke organisatie en één cultuur. Niet dat deze groepen niet ruilden met andere, of dat er geen contacten waren met andere samenlevingen, maar die waren er eerder uit luxe dan uit noodzaak. Deze systemen komen in de geschiedenis veruit het meeste voor. Nog steeds is onze genetische structuur voor een groot stuk schatplichtig aan de levenswijze in deze mini-systemen. Het laatste mini-systeem zou verdwijnen in het begin van de vorige eeuw.

3.1.2. Wereld-rijken (één economie, één politiek systeem, meerdere culturen)

Deze historisch sociale systemen (denk aan het Azteekse Rijk, het Romeinse Rijk, enz.) hadden ook een arbeidsverdeling en één overkoepelend politiek systeem (waarbij iedereen een deel werkte voor de machtshebbers die vervolgens, ongelijk en dictatoriaal, herverdeelden – vandaar de naam ‘redistributieve’ wereld-rijken), maar ze hadden wel vele culturen binnen hun grenzen. Zo vormden bijvoorbeeld Germania en Egypte delen van het Romeinse Rijk met heel andere gewoonten en zeden dan in Rome. Het laatste van deze redistributieve wereld-rijken verdween eveneens in de 20ste eeuw.

 3.1.3. Wereld-economie (één economie, meerdere politieke systemen, meerdere culturen)

 Tot op heden is er in de wereldgeschiedenis maar één historisch sociaal systeem dat erin slaagde de hele wereld te omspannen. Dat systeem noemt men in WSA het moderne wereld-systeem of het historisch kapitalisme. Dat kent ook één enkele arbeidsverdeling, maar heeft in tegenstelling tot mini-systemen en wereld-rijken meerdere politieke subsystemen (staten in een interstatelijk systeem). In tegenstelling tot mini-systemen maar net als wereld-rijken, heeft het ook meerdere culturen binnen zijn grenzen.

Dit historisch sociale systeem ontstond niet in de 18de of 19de eeuw (met de Industriële Revolutie, die eerst in Engeland zou plaatshebben, conform de moderniseringstheorie) maar wel in wat WSA de lange 16de eeuw noemt.

3.2. Het moderne wereld-systeem

3.2.1. Structuur

Onze maatschappij ontstond in de 16de eeuw toen, tijdens de crisis van de feodaliteit, een groot deel van de landheren (de adel) zich omvormde tot kapitalisten, die uit winststreven produceren voor een wereldmarkt. Van belang is dat zij dit konden doen over de landsgrenzen heen. In tegenstelling tot mini-systemen en wereld-rijken, zou in dit moderne systeem immers geen politieke macht in staat zijn om de economische machten onder controle te houden: één ‘wereld’-economie, meerdere nationale staten. In sommige andere delen van de wereld kende men in ongeveer dezelfde periode ook wel kiemen van kapitalisme, maar enkel in Europa zou zich dat kunnen doorzetten met behulp van wat de veroveringen van delen van Zuid-Amerika opbrachten: goedkope grondstoffen en zilver en goud, gewonnen met gedwongen arbeid. Rijke lieden van Europa wisten de inwoners daar te onderwerpen, vaak in slavernij te dwingen en aan het werk te zetten voor hun winsten. In de rijke delen van deze samenleving kwamen sterke staten tot stand, in de armere delen zwakke.

Zo ontstond de politiek-economische structuur van het systeem dat vijf eeuwen later de hele wereld zou omspannen. Een structuur met meer bepaald ‘kerngebieden’ (met hoogwaardige technologie, ‘vrije’ arbeid, sterke staten) en ‘perifere gebieden’ (met laagwaardige technologie, onvrije arbeidsvormen en zwakke staten). Daarbij leveren de perifere regio’s goedkope grondstoffen, arbeid en landbouwproducten aan de kerngebieden, waarvan ze de duurdere afgewerkte producten importeren. En binnen deze structuur concurreren staten met elkaar om zoveel mogelijk winstgevende activiteiten op hun grondgebied te huisvesten.

Tussen kern en periferie bestaat nog een derde categorie zones: de ‘semi-periferie’. Deze heeft kenmerken van zowel de kern als de periferie en is de zone waar staten proberen om de bevolking achter de noden van hun nationale industrie te krijgen. Als tussencategorie verdoezelt ze de grote tegenstellingen en ongelijkheid in het systeem. Ten opzichte van de periferie is ze uitbuiter, ten opzichte van kern de uitgebuite.

Mark Saey | Civiclab

Deze drieledige structuur zou blijven bestaan, maar kende wel een geschiedenis waarbij niet steeds dezelfde gebieden en landen dezelfde positie zouden bekleden. Zo waren de Verenigde Provinciën in de 18de eeuw sterker dan andere kernlanden, terwijl in de 19de eeuw Engeland de sterkste staat was en in de 20ste eeuw de Verenigde Staten. Deze drie staten vormden ook de zogenaamde ‘wereldhegemonieën’ in hun tijd. Op basis van hun sterkere economie, politieke macht en financiële kracht stabiliseerden zij het internationale systeem van concurrerende staten in hun voordeel, en legden zij de rest van de samenleving ook systeembestendigende culturen op. Zij presenteerden zichzelf als het na te volgen voorbeeld in hun respectieve ‘moderniteiten’.

 3.2.2. Dynamiek

 In het historisch kapitalisme worden de beslissingen voor de productie niet democratisch genomen, maar wel door de bezitters van kapitaal (bedrijven, machines, geld, enz.) met het oog op winst. Daarbij profiteren de kapitalisten van de staten en beïnvloeden zij hun regeringen om hun machtspositie te versterken: om arbeiders te controleren, uitgaven in hun voordeel te bekomen, handelsbarrières op te trekken tegen goedkopere producenten of, wanneer hun producten op de wereldmarkt sterker staan, een politiek van vrijhandel te stimuleren. Een sterke staat is dan ook niet noodzakelijk een staat met een groot staatsapparaat of waar de overheid of machthebber voortdurend zijn macht etaleert. De nationale staat is sterk in de mate dat hij de concurrentiepositie van ‘zijn’ kapitalisten kan vrijwaren en een politiek weet te voeren die de winst niet te veel aantast zonder dat de arbeiders daardoor in opstand komen. De idee dat kapitalisme gelijk staat aan vrije markt, is vanuit dit oogpunt een pure fictie.

Omdat de productiebeslissingen niet democratisch genomen worden komt het systeem ook geregeld in de problemen. Het leidt regelmatig tot wat men noemt ‘overproductie’, waardoor de wereld-economie om de zoveel tijd stagneert. Wanneer te veel kapitalisten de op een gegeven moment winstgevende producten produceren, vinden ze na verloop van tijd niet voldoende kopers meer en krimpt bijgevolg hun afzetmarkt. Kapitalisten trachten in zulke perioden verschillende maatregelen te nemen om uit de crisis te geraken, onder meer:

  • monopolievorming (andere bedrijven overnemen);
  • prijsaanpassingen (producten goedkoper aanbieden);
  • innoveren (nieuwe winstgevende producten maken);
  • rationaliseren (machines in de plaats van arbeiders stellen, arbeiders ontslaan);
  • delokaliseren (de productie verplaatsen naar lagere loonlanden met minder rechten voor de arbeiders).

Dat veroorzaakt evenwel ook werkloosheid en armoede, en bijgevolg verzet. Om dat te neutraliseren, moesten kapitalisten wel toegevingen doen aan de arbeiders of directe producenten. Maar de herverdeling betekende telkens een verlies aan winst voor de kapitalistische klasse. Dat verlies zouden ze compenseren door buiten het systeem ‘op zoek te gaan’ naar nieuwe goedkope arbeid, grondstoffen en markten. Daarmee zou het systeem gaandeweg alle andere maatschappijen opnemen, tot het de hele wereld zou omspannen.

3.3.3. Het einde van het moderne wereld-systeem

In de visie van WSA zette het vooruitgangsdenken mensen aan hun samenleving te identificeren met hun land en neer te kijken op wie in de wereld achter blijft. Die identificatie kwam de nationale staten ook goed uit aangezien zij er voortdurend naar streven om binnen hun grenzen een culturele homogeniteit te bekomen. Hoewel de samenleving een wereld-systeem is, werden op die manier de uiterste grenzen van de hechtingsmoraal getrokken rond het eigen volk, en werd bijgevolg ook rechtvaardigheid – ieder het deel geven dat hem of haar toekomt – nationaal ingekleurd.

Zij die tegen het systeem strijd voerden, zouden zich in de praktijk vooral richten op het verwerven van de staatsmacht. Daarmee boekten zij ook resultaat. In het Westen kwam onder druk van de arbeidersbeweging in verschillende landen de welvaartstaat tot stand, in het Zuiden dwongen de nationale bevrijdingsbewegingen de dekolonisatie af, en in het Oosten zouden communisten de macht grijpen. Maar door zich in de staat in te passen – wat Wallerstein het ‘liberale compromis’ noemt – verloren die antisysteembewegingen hun élan. In de werkelijke samenleving worden de staten immers tegen elkaar uitgespeeld of zijn zij onderling in concurrentie verwikkeld. WSA stelt dan ook dat door macht over de staat te verwerven, men de wereld nog niet verandert.

Rond 1970 diende zich de volgende stagnatiefase in de wereld-economie aan. Opnieuw probeerde de kapitalistische klasse de crisis te keren door de werkende klassen terug af te nemen wat ze eerder aan rechten hadden opgebouwd. Met het ineenstorten van de communistische regimes in het Oosten zou het neoliberalisme zich ook kunnen presenteren als de enig mogelijke toekomst – of in de typerende woorden van Margaret Thatcher: there is no alternative. Agressiever dan voorheen probeerde de kapitalistische klasse, o.m. via internationale instellingen zoals de Wereldhandelsorganisatie, de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds, de staten te dwingen overheidsvoorzieningen te privatiseren, lonen te verlagen en markten vrij te maken voor het winststreven. Door angst en onwetendheid, politiek cynisme en het gevecht om privileges, namen in verschillende landen nationalistische en extreemrechtse sympathieën terug toe.

Maar bovenop de ‘crisis als stagnatie’ komt volgens WSA nu ook de ‘crisis van het systeem zelf’. Verschillende ontwikkelingen op de heel lange termijn komen nu aan hun structurele einde. Daarvan hebben we er één op het voorplan gezet: de mondialisering. Een andere is al langer ruim bekend: het milieuprobleem is binnen het kapitalistische systeem oncontroleerbaar geworden. Bedrijven zullen hun milieukosten niet langer kunnen afwentelen op de gemeenschap. Landhervormingen in het Zuiden (herverdeling van het grondbezit) zullen ook nodig zijn om de natuurvernietigende monoculturen te doorbreken. Vooral in de kernlanden, maar ook elders, zullen de rijken in onze samenleving hun adellijke levenswijze van meer dan een paar planeten moeten opgeven, wat betekent dat economische groei en almaar toenemende materiële consumptie niet langer meer als maar normaal kunnen doorgaan.

De afsluitende oefening voor Aardrijkskunde was het op blinde kaarten van de wereld uittekenen van de historische tabel van de moderne tijd volgens wereld-systeem analyse. Op die manier werd het de leerlingen duidelijk dat dit systeem niet ‘verder’ meer kan en stelden ze de vraag naar wat dan zou kunnen volgen.

Mark Saey | Civiclab

[1] Deze tekst is gebaseerd op colleges die auteur dezes gaf aan de U.Gent. Zie ook hier.

StumbleUponPrintFriendly