Mark Saey | Civiclab

3.2. Interviews

Voor de interviews (zo’n 15 in totaal) die in verschillende steden en gemeenten zouden plaatsvinden, werden we geholpen door twee organisaties: vzw El Ele en Intercultureel Netwerk Gent – Cel Mensen Zonder Papieren. Allebei hadden ze nauw contact met vluchtelingen en mensen zonder papieren. We stellen ze hieronder kort voor a.d.h.v. twee fragmentjes uit de documentaire. We hielden verschillende interviewdagen, soms tijdens het weekend. De leerlingen hielpen met allerlei, sommigen hadden evengoed stage kunnen lopen bij een van de organisaties. Zij moesten, goed voorbereid in de onderdelen voor de taalvakken, ervoor zorgen dat ze tijdens en in de uitwerking van hun interviews, de leerstof en hun opzoekingswerk kritisch verwerkten in wat evengoed een klassiek eindwerk had kunnen zijn. Liever dan hier alle theorie verder uiteen te zetten, geven we hier een voorbeeld van zo’n interview in zowel tekst als beeld.

‘“Wil een continent werkelijk een fort zijn…”

Angelika Gaillaert, Rob Groené en Julie De Jonghe

“dan moet het ook enkele arme landen inpassen binnen zijn grenzen, omdat toch iemand het vuile en zware werk zou doen.”

Naomi Klein, geciteerd in Z. Bauman, ‘An Adventure Named Europe’, 2005

Als voorbereiding had ik informatie opgezocht over zijn land van herkomst, Bulgarije. Ik verzamelde ook wat gerief (eten, kleren) dat ik niet meer nodig had, om Nasco te geven in ruil voor ons interview. Ik dacht dat de filmcrew er ook bij zou zijn, maar die kon om bepaalde redenen niet mee. Mijn papa zou ons met de wagen naar de afspraak brengen. Ik vond het tof dat hij meeging. Samen met Rob en Julie, Nick van vzw El Ele, een tolk en Mark vertrokken we. Toen ik er in de auto nog eens over nadacht wat we gingen doen, werd ik zenuwachtig en kon ik niet goed stilzitten.

We reden tot aan een groot, wat bebost terrein dat achter een brug in aanleg lag. Het werd duidelijk slecht of niet onderhouden. In deze halve wildernis, verstoken in de stadsrand van Gent, stonden her en der wat vervallen tuinhuisjes en krakkemikkige hokken. In de bosjes hoorden we na enige tijd enkele stemmen die we niet verstonden. Blijkbaar waren we daar toch niet alleen. Ik voelde me niet echt op m’n gemak en kreeg het koud. We gingen een modderig pad op waar op het eerste gezicht geen eind aan kwam. Er liepen heel veel kippen en hanen rond. Hoe verder we stapten, hoe erbarmelijker die barakken. “Ja!, kijk, daar, daar wonen inderdaad mensen in!” riep een van ons plots. Wat voor een plek was dit toch? Naast een caravan uit de jaren stilletjes stond een bordje met “Bedankt voor het stelen van mijn bloembakken” erop. Toen onze schoenen na een paar honderd meter stappen aardig besmeurd waren, hielden we halt voor twee aftandse goederenwagons, die verborgen stonden tussen wat bomen en struiken. Hoe die treinstellen daar terecht waren gekomen was me een raadsel. Rond de wagons lag enorm veel afval. Van essen en potdeksels tot versleten schoeisel. De wagons waren een en al roest.

“We zijn er”, zei Nick. Achter me hoorde ik Rob zeggen: “Wat?! Hier?” We keken wat rond, maar Nasco, de Bulgaar die we zouden interviewen, was nergens te bespeuren. “Wat nu?” Op een belendende weide hield een Turkse man ons in de gaten. Hij verdween echter snel achter een van die huisjes toen we aanstalten maakten om hem naar Nasco te vragen.

Nick ging toch eens een kijkje nemen in een van de wagons. Hij zag dat er iemand lag te slapen en maakte hem wakker. Het was een vriend van Nasco. Nasco zelf zouden we die dag niet meer ontmoeten. De tolk vroeg de man of hij ook van Bulgarije was, gaf hem de reden van onze aanwezigheid, en vroeg of we hem misschien mochten interviewen. Nog half dromend ging hij akkoord. Na onze begroeting gaf ik hem de jas die ik had meegebracht. Zichtbaar tevreden geraakte hij nu verder aan de praat met onze tolk. Hij had afgedragen kleren aan en leek me ongeveer 40 jaar oud. Wat later zouden we vernemen dat hij pas 25 was geworden.

Snel brachten we alles in gereedheid. Rob zou de vragen stellen, Julie vond ergens een stoel of wat daar voor kon doorgaan, en ging tussen het vuil zitten om notities te nemen. Ik zou het interview opnemen met een bandrecorder en alles goed gadeslaan. Mijn papa en Nick stonden wat verderop toe te kijken, terwijl Mark foto’s nam en ons af en toe wat hielp met de vragen en de micro. Veel van wat Turgay ons vertelde ging verloren in de vertaling. Maar we vernamen dat hij in Turgoste woonde, geen gezin had en in Bulgarije in de bouw werkte voor een schamel loon van een paar honderd euro. Een jaar geleden viel hij zonder werk en kon hij de eindjes niet langer aan elkaar knopen. Net als zovele Bulgaren zag hij geen andere uitweg meer en was hij zijn land ontvlucht, op zoek naar een beter leven.

We wisten door ons studiewerk dat er in Bulgarije nog veel corruptie is, vooral in het rechtssysteem, en dat er nog heel wat klachten zijn over schendingen van de mensenrechten door de politiediensten. De economische toestand van het land gaat er de laatste jaren wat op vooruit, zo konden we afleiden uit de Country Reports. Maar de gevolgen van de door de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds opgelegde voorwaarden aan het economische beleid laten zich wel voelen bij de bevolking. Tussen Zwart en Wit. Werkervaringen van Bulgaren in het Gentse (2007), een rapport van Intercultureel Netwerk Gent, stelt het zo: “De voorwaarden voor deze goedkeuring vielen erg zwaar: een doorgedreven privatisering van de staatsbezittingen, een strikte begrotingscontrole en de beloftes op het vlak van privatisering en liberalisering van de bedrijven. De munt mag dan snel terug stabiel geworden zijn, de bevolking heeft wel de gevolgen gedragen van deze politiek. Er was amper geld om te investeren in sociale projecten of armoedebestrijding. Nog steeds leeft een kwart van de Bulgaren onder de armoedegrens.” Een artikel in De Morgen van 2 januari dit jaar vermeldde dat Bulgarije, net als Roemenië, sinds 1989 al een goede 10 procent van zijn bevolking zag vertrekken.

Turgay kwam met enkele vrienden in een minibus naar België. “We reden een stuk door Roemenië, Hongarije, en dan door Oostenrijk en Duitsland. Een hele lange rit. Gelukkig zonder problemen. We kwamen naar hier omdat we wisten dat hier nog Bulgaren waren, en ook veel Turken waarmee we zouden kunnen praten. Toen we hier aankwamen hebben we wat rondgevraagd naar een plek om te overnachten. Uiteindelijk zijn we hier beland. Dat is nu zo’n vier of vijf maanden geleden. De hele winter zijn we hier al. Stromend water, elektriciteit of verwarming hebben we niet. In de wagon hiernaast gaan we naar het toilet. ’s Nachts kan ik de kou weerstaan, dankzij mijn warme deken. Maar het is zwaar om hier te overleven. Vast werk vind ik niet. Soms kan ik wat klusjes opknappen, maar ik krijg weinig betaald. Die klusjes vind ik in een paar Turkse cafés, waar bazen komen die af en toe mensen kunnen gebruiken.”

Juridisch gezien is Turgay geen vluchteling. In januari 2007 werd Bulgarije immers officieel lid van de Europese Unie. Voorheen probeerden de Bulgaren via de asielprocedure een verblijfsvergunning te verkrijgen. Maar na het einde van de Koude Oorlog werd die mogelijkheid in feite afgesloten. Bulgarije werd van dan af, net als de andere voormalige communistische landen, als een stabiel herkomstland beschouwd. Hoewel die misvatting het aantal asielaanvragen deed dalen, stopte ze de migratie natuurlijk niet. Die is immers veel meer afhankelijk van de miserie in de herkomstlanden en de vraag naar goedkope arbeidskrachten in de Westerse landen, dan van eender welke grenspolitiek. Het rapport van ING citeert een man die enkele jaren geleden naar België kwam: “In Bulgarije werkte ik in zware metalen, het is een zwaar en vuil beroep, steeds in hoge temperaturen. Ik werkte ook ’s nachts. Ik werkte drie dagen ’s nachts, dan twee dagen vrij, dan drie dagen ’s morgens, dan twee dagen vrij, enz. Ik verdiende 300 leva (150 euro) per maand. De lonen zijn nog steeds gelijk maar de kosten van het leven worden hoger. Elektriciteit en voedsel worden elke maand duurder. Hoe kunnen we zo leven? Daarom vluchten mensen naar andere landen.”

De migratie werd clandestien. Samen met de migranten die alsnog probeerden via de regularisatieprocedure aan een wettig verblijf te komen, zouden de clandestiene arbeidsmigranten in het voorbije decennium een sociaal netwerk opbouwen. Daarop konden de nieuwkomers steunen in hun dagelijkse strijd om hier te overleven. Maar wanhoop en uitbuiting bleven onderdelen van de dagelijkse realiteit. In hetzelfde rapport vertelt een vrouw: “Sommige mensen hebben mij werk aangeboden maar ik heb het niet aanvaard want ik vertrouwde die mensen niet. In sommige gevallen kun je werk vinden, maar aangezien je geen papieren hebt, kan de baas je niet aanwerven. Daarom kan ik niet voor om het even wie werken. Ten eerste bestaat het risico dat ik veel uren voor weinig geld moet werken, en ten tweede kan het gebeuren dat ik helemaal niet word betaald.”

Met het lidmaatschap van de EU werd nu een perspectief op reguliere arbeid voor Bulgaren geopend. Maar België voerde, net als de meeste andere oude lidstaten, voor migranten uit de nieuwe lidstaten een overgangsperiode in, die nog enkele jaren kan duren (normaliter tot 31 december 2011). Hun verblijf en werkgelegenheid werden dus ook in België onderworpen aan bepaalde voorwaarden en beperkingen.

Zo krijgt een Bulgaar, na het verwerven van een aankomstverklaring op voorleggen van identiteitsbewijzen, een tijdelijk verblijfsrecht van slechts drie maanden. Vindt hij binnen de drie maanden werk, dan kan hij een arbeidskaart B krijgen. Die kan echter alleen worden aangevraagd door de werkgever. Bij de VDAB kan hij zich, tenzij hij gezinshereniger is, niet inschrijven als werkzoekende omdat hij niet beschikbaar is voor de volledige arbeidsmarkt. Hij kan enkel werken in knelpuntberoepen. Met als gevolg dat hij geen aanspraak kan maken op beroepsopleidingen of de normale arbeidsbemiddeling. Wil hij als zelfstandige een activiteit uitoefenen, dan heeft hij geen arbeidskaart B nodig maar dan krijgt hij een tijdelijke verblijfsvergunning voor vijf maanden, een “paarse kaart”. Indien hij na die periode niet kan bewijzen dat hij zijn activiteit heeft opgestart, dan krijgt hij het bevel om het land te verlaten. Sommigen willen voor het einde van de vijf maanden hun paarse kaart teruggeven, omdat ze ondertussen hebben ondervonden dat die kaart hen geen recht geeft om te werken in loondienst, of omdat hun legaal verblijf hen uitsluit van het recht op dringende medische hulp. Zij die wel een activiteit kunnen opstarten bekomen een “blauwe kaart”, een permanente verblijfsvergunning. Meestal gaat het om ongeschoolde activiteiten zoals krantenbedeling of toiletuitbating. Daarvoor is immers geen ondernemingsnummer noch een attest bedrijfsbeheer vereist. Maar door de geringe inkomsten en snel gemaakte schulden met dat soort activiteiten, hebben zij onvoldoende middelen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Zetten zij hun activiteit stop, dan kunnen zij niet terecht bij het OCMW.

Mark Saey | Civiclab

Kortom, het vinden van een reguliere job, het verwerven van een permanente verblijfsvergunning en het bekomen van een menswaardig inkomen zijn, ondanks enkele lovenswaardige initiatieven van de stad, helemaal geen evidentie voor de Bulgaren, die alleen al in Gent met een kleine 2000 zijn.

Dat verklaart waarom Turgay terecht kon komen in deze verschrikkelijke omstandigheden. En dat verklaart ook waarom hij, net als zovele andere mensen zonder papieren, afhankelijk is van zwartwerk en voortdurend schrik heeft om te worden opgepakt en uitgewezen. “Een paar maanden geleden werden we hier opgeschrikt door politieagenten. Die zeiden ons dat we hier niet mochten werken, dat we daar geen recht op hadden. Maar ze hebben ons niet opgepakt. We hebben ze niet meer terug gezien en we zijn gebleven. We werken af en toe toch, soms twee dagen, dan weer drie of meer dagen niet. We moeten toch van iets leven? Maar we zijn niet altijd zeker van ons geld… Nasco kon enkele dagen geleden een veld omspitten. Twee dagen werk voor 20 euro. Maar hij wacht nu al twee dagen op zijn geld… Als ze ons naar ons land sturen, dan komen we terug. In Bulgarije is er veel te veel armoede en werkloosheid. En wanneer het voor Bulgaren gemakkelijker wordt om in andere landen werk te vinden, dan denk ik dat het land leeg zal lopen. Bulgarije kreeg al veel geld van de Europese Unie, maar dat wordt veel te weinig gebruikt voor het openen van fabrieken of om de mensen een beter leven te bezorgen. Het verdwijnt gewoon in de zakken van de politici en de werkgevers… Niemand verlaat zijn land zonder reden. België is rijk, hier moet toch vast werk te vinden zijn? We moeten toch één keer geluk hebben?”

Het was opvallend hoe gelaten Turgay erbij stond en onze vragen kort maar kalm beantwoordde. Toen het interview was afgelopen, mochten we een kijkje nemen in de wagon. Binnen zagen we een tafeltje met wat stoelen er rond, een matras voor twee personen met enkele dekens erop, en enkele plastic zakken met allerlei kleine spullen erin. Het was donker en het rook er muf. Alles was in slechte staat. Ik kreeg medelijden met hem. Hoe kon dit nu? Waarom werden deze mensen niet meteen uit de nood geholpen door mensen uit de buurt? Waarom moet het hen ontbreken aan werk en een deftig dak boven hun hoofd? Alle mensen hebben daar toch recht op? Ik moest denken aan een uitspraak van een andere vluchteling in een kortfilm: “Europa is de universiteit van het individualisme en de eenzaamheid”.

Mark, die ondertussen ook in de andere wagon een kijkje was gaan nemen, zei dat het tijd was om terug te keren. We pakten alles in, gaven Turgay het geld dat we bijeen hadden gelegd en namen afscheid. Ik vond dat Jonathan, mijn vriend, dit allemaal ook eens moest kunnen zien, dus nam ik snel nog wat foto’s met mijn gsm voordat we met de auto terug naar huis reden.

Ik voelde me niet goed in de wagen. Ik vond het erg om Turgay daar achter te moeten laten en om terug te keren naar ons luxeleven, waar we ’s avonds lekker warm kunnen eten en voor de tv kunnen luieren in een knusse zetel. Ik vraag me af wat Turgay vanavond zou doen. Zou hij alleen zijn? Overleeft hij de nacht?’ (JWW, P.254-260)

Onnodig te zeggen dat de interviews het inlevingsvermogen en de ervaringswereld van de leerlingen stevig op de proef stelden. Maar door hen op voorhand een mondiale blik en voldoende voorkennis over de problematiek van vluchtelingen en mensen zonder papieren aan te reiken, konden zij de vaak veeleisende situaties intellectueel en emotioneel al bij al de baas. Dat was ook de voorwaarde om de verruiming van hun hechtingsmoraal voorbij de nationale grenzen te kunnen laten gaan. Het afnemen van interviews – van aangezicht tot aangezicht met de verschoppelingen van deze wereld – was immers de meest indringende manier waarop het traject hun zingeving betrok op de betekenis van die situaties als onderdelen van één enkele ongelijke en mondiale samenleving. Meer dan eender welk ander onderdeel maakten de interviews de leerlingen duidelijk dat mondialisering en mensenrechten geen afstandelijke gegevens zijn, maar een plaats verdienen op de voorgrond van hun levensbeschouwing – waardoor ze de opgedane inzichten nog steviger konden opnemen in het culturele, ethische en politieke waardenstelsel van de wereldburger.

StumbleUponPrintFriendly