Mark Saey | Civiclab

3.3. Mensenrechten

Naast het maken van de website, het tentoonstellen van ons materiaal in de schoolgangen, en nog behoorlijk wat andere dingen, moesten de leerlingen tijdens het gelijktijdige derde deel van deze fase de antiracistische en pluralistische houding zien te verwerven. Dat deden we via twee onderdeeltjes:

1. Voor de mensenrechten stelden we in het algemeen dat deze in principe centraal horen te staan in het onderwijs en iedereen zouden moeten aanzetten alle mensen als gelijken te beschouwen.

“Men zou er dan ook goed aan doen”, zo begon ik een eerste les, “naast een lijst met cijfers over armoede in België en de wereld, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aan iedere schoolpoort te hangen. Zo zou iedereen ten minste te weten komen dat in 1948 zowat alle landen in de Algemene Vergadering van de VN onderschreven dat alle mensen zonder onderscheid, behalve de vandaag ruim bekende rechten zoals het recht op vrijheid van mening (art. 19), ook recht hebben op onder meer arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtmatige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid (art. 23), dat iedereen het recht hee zich vrijelijk te verplaatsen en te vertoeven binnen de grenzen van elke Staat, en welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren (art. 13), en dat elkeen ook recht heeft op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten (art. 25). Hoewel democratie vandaag nogal snel gelijk wordt gesteld aan een politiek systeem met vrije verkiezingen – wat het óók is – kan men een maatschappij waarin deze en andere rechten uit de UVRM niet verzekerd zijn, bezwaarlijk een democratische samenleving noemen. Al was het maar omdat uit schrik voor het verlies van een voldoende hoge levensstandaard een mens zijn recht op vrijheid van mening niet snel zal vinden.” (JWW, p.267-268)

Deze centrale waarden en/of rechten leerden de leerlingen afwegen tegen de concrete politiek-juridische evolutie van de rechten die vluchtelingen en mensen zonder papieren ondergingen in de laatste decennia in België – dat voor zijn behandeling van vluchtelingenkinderen meermaals werd veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en dat door Amnesty International op de vingers werd getikt voor het niet ondertekenen van het “economische” VN verdrag ter Bescherming van de Rechten van alle Arbeidsmigranten:

‘Wanneer een Staat verkiest de Conventie niet te ratificeren, geeft ze de boodschap dat ze het beginsel van de universaliteit van mensenrechten miskent. Voor zulke Staat eindigt het respect voor de mensenrechten van migranten aan de staatsgrenzen.’ (JWW, p.272)

2. Twee lesuren over de rel (drie jaar voordien) rond de Mohammed cartoons maakten de leerlingen duidelijk dat a) gezien, volgens de harde data van professor R. Pape, niet religie maar het bezetten van de thuislanden van moslims door vreemde troepenmachten de grondoorzaak van het (zelfmoord)terrorisme is, en b) een grootschalig Nederlands onderzoek goed aantoonde dat ‘de islam’ best te verenigen is met democratie en mensenrechten, de VN leider gelijk heeft om islamofobie op gelijke voet te plaatsen met antisemitisme, en de betreffende cartoons bijgevolg wansmakelijk waren.

Hierbij hanteerden we ook bijzondere didactische werkvormen zoals competitiedebat rond toepasselijke stellingen (het principe leggen we hier uit) om het kritische denken verder aan te scherpen. Maar de resultaten van het LWZ begonnen zich al duidelijk af te tekenen toen in een les de leerlingen spontaan meer klasgesprek aangingen toen in de les LVB nog eens een overzichtje van de ontdekte problemen werd gegeven.

‘”Dus, één: het beleid beschermt niet steeds wie het zegt te willen beschermen. Twee: het beschermingsaanbod dekt de realiteit niet meer, en waar een kleine opening wordt gemaakt voor economische motieven gebeurt dit vooral uit eigenbelang. Een derde reeks problemen betreft de argumenten voor het ‘algemeen belang’, waarmee het strenge asielbeleid steevast wordt verdedigd. Ze komen uit verschillende hoeken van de samenleving, maar we noemen ze voor het gemak de argumenten van de goegemeente. Een voorbeeld: ‘We kunnen toch geen recht op steun of sociale zekerheid geven aan mensen die hier niet geboren zijn en die hier ook nooit gewerkt hebben. Mochten we dat wel doen, dan zou de sociale kas snel leeg zijn.”

Tot hier zaten de leerlingen gewoon te luisteren, maar toen ik dat eerste argument van de goegemeente gaf, onderbraken ze plots de les. Sam was de eerste: “Maar, de vluchtelingen en de mensen zonder papieren… die willen toch allemaal werken? Ik bedoel, ze zeiden toch dat ze niks liever zouden willen dan legaal werken? En dan kunnen ze toch gewoon zelf bijdragen aan die kas?” “Ja, en hier geboren zijn, allé, wat maakt dat nu uit?”, zei Jolien, “Dat is toch gewoon een kwestie van toeval, zeker?” “Ze zeggen ook altijd meneer”, nam Julie nu over, “dat ze onze jobs afpakken. Maar waarom hebben ze daar in hun landen dan jobs tekort? Dat komt voor een groot stuk toch door die ongelijke verhoudingen tus- sen de landen? Dat hebben we toch gezien?”

Liever dan terug te doceren, probeerde ik nu ook andere argumenten op hen uit. “Vinden jullie het dan geen oneerlijke concurrentie wanneer zij hier in het zwart aan de slag gaan, en zo de weinige jobs voor de neus van de Belgen wegnemen?” Nu was het Rob die zich bijna kwaad maakte omdat ik hen schijnbaar weerwerk bood: “Wel hé, dat ze wat zwart is dan wit maken, hé. Dan worden het op zijn minst eerlijke concurrenten, en dan kunnen de bedrijfsleiders hen ook niet meer uitbuiten. En nog wat, hé, is het hun schuld misschien dat er te weinig jobs zijn?! Dat zeggen de werklozen toch ook: moeten de politici niet zorgen voor meer werk als er niet genoeg is? We weten nu toch dat ik weet niet hoeveel geld aan de belastingen ontsnapt… dat zou toch evengoed voor het scheppen van werk kunnen dienen, zeker? Wat denkt ge daarvan?!”

“Al goed Rob, al goed, ik som maar op, hoor. Wat doen jullie dan met dit argument: ‘Wanneer we een soepeler beleid zouden voeren, dan komen ze gewoon met z’n allen hierheen, dan worden we binnen de kortste keren overspoeld door vluchtelingen.’” Hier duurde het toch enkele seconden voor iemand wat antwoordde. Maar het was ofwel Lisa ofwel Jennifer die als eerste wat wist te zeggen: “Ik denk dat het logisch is dat er dan meer vluchtelingen naar hier zouden komen. Maar kan je nog eens herhalen hoe dat ook weer zat met de vergrijzing?” Daarvoor moest ik de tekst even raadplegen, de cijfers had ik niet in mijn hoofd zitten. “Ah, hier staat het, op pagina 9. Ik lees het even voor: ‘Door de vergrijzing zullen er meer niet-werkenden dan werkenden komen. Het United Population Fund heeft uitgerekend dat de vijftien originele EU-lidstaten per jaar 1,5 miljoen immigranten nodig hebben om de niet-werkende laag te onderhouden en tot 2050 de populatie in evenwicht te houden.’” “Wel dan”, zei Paco, “dan moeten er toch veel meer naar hier komen? Dan is het met dat algemeen belang toch eerder omgekeerd? En, aan de andere kant, is België het enige land dat vluchtelingen opvangt, misschien? De meeste vluchtelingen geraken zelfs niet eens tot hier.”(JWW, p.275-276)

Het was wel duidelijk dat behoorlijk wat leerlingen afstand hadden genomen van de veel gehoorde redenen voor een streng asiel- en migratiebeleid, en daar ook relevante argumenten voor hadden. In ieder geval namen ze het zo goed als ze konden op voor wie het aan mensenrechten ontbreekt.

StumbleUponPrintFriendly