Jongeren worden wereldburgers - Mark Saey | Civiclab

Extract uit Jongeren worden wereldburgers

Intermezzo: onderwijs en politiek

Middenin het onderdeel Interviews passeerde ik langs mijn vakje in de leraarskamer, net op het moment dat de directeur me duidelijk bezorgd bij zich riep. Al wandelend naar zijn bureau – dat zich enkele meters van de leraarskamer bevindt – las ik het briefje dat ik in mijn vakje had zien liggen. “Geachte meneer Saey, Ik moest u van mijn ouders vertellen dat ik niet meer mag meedoen aan het project.” Eens de deur dicht vroeg de directeur me zenuwachtig: “Mark, je project is toch een onderzoek, hé, ’t is toch een onderzoek, hé?” Nog maar net opgehouden met lezen kwam ik eerst niet verder dan “Hoezo?”, waarop de directeur me zijn bezorgdheid uitlegde. “Ik had hier net een vader van één van je leerlingen aan de lijn die zich behoorlijk boos maakte. Hij vindt het niet kunnen dat de leerlingen interviews moeten afnemen van mensen zonder papieren. Het druist in tegen zijn overtuiging. Ik heb hem geantwoord dat het gewoon om een onderzoek gaat. Maar ik vrees dat wanneer je X verplicht een interview af te nemen, we in de problemen gaan komen.” “Ook als ik X het interview kan laten doen tijdens de lesuren?” “Ja, de pa wil absoluut niet dat X nog verder meedoet.”

Hoewel de reden van het briefje en het boze telefoontje voor de hand lag, was ik stomverbaasd. Beide hadden niks te maken met wat in het briefje als reden stond opgegeven: “omdat het traject vaak buiten de lesuren loopt en de activiteiten geld kosten”. Buiten de lesuren was immers niks verplicht, en geen buitenschoolse activiteit kostte meer dan 10 euro. Iedere leerling met geldgebrek voor activiteiten kon ook op de tussenkomst van onze school rekenen – wat ook ieder jaar duidelijk gecommuniceerd wordt naar alle ouders. Tot dan had de leerling ook goed meegewerkt. Zijn punten lagen zelfs iets hoger dan het gemiddelde, en uit geen van zijn toetsen, verslagen of reacties kon ik opmaken dat er een probleem was. De afwezigheid van de ouders van de leerling op de infoavond deed dan ook geen belletje rinkelen. Maar de onderliggende reden was wel degelijk ‘politiek’ van aard.

Waarom dat een probleem was voor de directeur, of liever: waarom hij me vroeg of het traject toch een onderzoek was, valt eenvoudig te verklaren. Art. 24 van de Belgische Grondwet bepaalt immers dat het onderwijs van de gemeenschap neutraal dient te zijn: “De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.” Daarnaast bepaalt art. 41 van de Schoolpactwet dat er niet aan politieke propaganda mag worden gedaan, wat in de ‘Omzendbrief Zorgvuldig Bestuur Secundair onderwijs’ (SO 78, 27 november 2001, onderwijs.vlaanderen.be) als volgt verder wordt uitgelegd:

“Politieke propaganda en politieke activiteiten in de scholen of centra, door welke persoon of instantie dan ook, zijn […] verboden. In afwijking hierop: (1) is de syndicale werking ten aanzien van het personeel van de school toegelaten; (2) zijn politieke activiteiten in de school toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van 90 dagen voorafgaand aan een verkiezing […] Onder politieke activiteiten wordt hier verstaan alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.”

Hoewel over deze materie in het onderwijs aardig wat verwarring bestaat – vanwaar de bezorgdheid van de directeur – is het m.i. duidelijk dat het hier over de gehele lijn om activiteiten van partijpolitieke en electorale aard moet gaan. Indien niet geraakt men vandaag bij de interpretatie van de complementariteit of overeenstemming van verschillende officiële bepalingen hopeloos in de problemen. In het licht van het belang van deze kwestie moet ik hier toch wat verder over uitwijden.

Dat het in de omzendbrief ten eerste om activiteiten van partijpolitieke en electorale aard gaat, blijkt duidelijk uit een vergelijking van twee beslissingen van de Commissie Zorgvuldig Bestuur van het departement Onderwijs. Op 2 juni 2003 oordeelde de Commissie, naar aanleiding van een klacht van het Vlaams Blok, dat de affiche ‘Wie zijn stem geeft aan extreem rechts, is ze voor altijd kwijt’ uit een school moest worden verwijderd. Dat deed ze omdat de affiche rechtstreeks of onrechtstreeks werd aangewend om een positieve of negatieve ondersteuning te geven aan welbepaalde politieke standpunten of partijen. De lezer zal misschien de wenkbrauwen fronsen, maar de Commissie viel over het woordje ‘stem’ en het gegeven dat de affiche eerder al werd gebruikt tijdens verkiezingscampagnes. Op 1 december van datzelfde jaar besloot de Commissie, naar aanleiding van een gelijkaardige klacht (opnieuw van het Vlaams Blok) evenwel anders. De tweede klacht betrof de affiche ‘Extreem rechts nooit meer! Zij hebben ons al eens getoond hoe zij de crisis en de sociale problemen oplossen’, die in het Zedenleerlokaal van een andere school hing. Deze affiche mocht van de Commissie wel blijven hangen omdat ze geen directe band had met lopende verkiezingscampagnes, geen stemadvies inhield en ook als leermiddel werd gebruikt voor het lesprogramma NCZ.

In zijn commentaar bij deze twee beslissingen schreef professor Mediarecht Dirk Voorhoof dat de Commissie bij haar eerste beslissing de bepaling uit de Schoolpactwet wel heel verstrekkend leek te interpreteren. Persoonlijk – dat zal misschien verbazen – vind ik van niet. Dat leg ik zo meteen uit. Wel ben ik het met Dirk Voorhoof eens dat men het verbod niet al te verstikkend mag interpreteren wanneer het gaat om sensibiliseren tegen extreem rechts en racisme, of – zo dient men m.i. het principe naar al deze gevallen te veralgemenen – wanneer het erom gaat om uitdrukking te geven aan de wereldburgerzin van het onderwijs of om didactische middelen en werkwijzen in functie van burgerschapsvorming.

Wil men niet hopeloos verstrikt raken in de interpretaties van verschillende hedendaagse bepalingen en hun complementariteit, dan kan men moeilijk anders. Er zijn namelijk nogal wat andere voorschriften die aangeven dat het onderwijs en alle leerkrachten (dus niet enkel leerkrachten levensbeschouwing) zich juist wel politiek moeten opstellen. Eerst en vooral dient het onderwijs art. 29 van het Kinderrechtenverdrag naar behoren uit te voeren. Zoals ik in dit boek aantoon: dat kan en moet het veel beter doen. Ten tweede ondertekenen leerkrachten bij hun aantreden in een school van het GO! de Verklaring van gehechtheid aan het GO!, het Pedagogische project van het GO!, en de Neutraliteitsverklaring. Uit alle drie neem ik een stukje dat de politieke lading duidelijk maakt.

“Ik, die onderteken […] waardeer in het bijzonder het specifieke opvoedingsproject van het Gemeenschapsonderwijs, gekenmerkt door open engagement en actief pluralisme, waarin alle levensbeschouwelijke en maatschappelijke visies met een democratische grondslag hun plaats krijgen.”

In het PPGO staat dat het opvoedt

“tot sociaal engagement, verantwoord gebruik van de ruimte, wereldsolidariteit, verdraagzaamheid […] het beoogt de vorming van vrije mensen […] die zich betrokken weten bij de sociale werkelijkheid en de maatschappelijke ongelijkheden: opkomen voor de eerbiediging van de Rechten van de Mens en zijn fundamentele vrijheden, voor sociale rechtvaardigheid en voor democratische instellingen […] die de gelijkwaardigheid van mensen en de emancipatie van elk individu niet enkel als principe huldigen, maar zich ook inspannen om ze te verwezenlijken.”

En ten slotte uit de Neutraliteitsverklaring:

“Ik weet dat ik mijn persoonlijk engagement kan en mag bekend maken als de opvoedings- of onderwijssituatie daartoe aanleiding geeft. Dat doe ik echter op een bedachtzame en voorname wijze, wat betekent dat ik me zeker onthoud van elke vorm van indoctrinatie en/of bekeringsijver […] Ik neem iedere gelegenheid te baat om de leerlingen […] de waarden van het actief pluralisme bij te brengen en te verhelderen: eerbied voor de Rechten van de Mens […] verdediging van de democratie en eerbied voor de rechten van minderheden […] scheiding van Kerk en Staat, gelijkwaardigheid van man en vrouw.”

Daarnaast, laten we het niet vergeten, zijn er ook de vele vakoverschrijdende eindtermen die men niet kan ontwikkelen zonder aan politiek te doen. Bovendien gelden die vakoverschrijdende eindtermen niet alleen voor het GO!

Het minste dat men kan zeggen bij het lezen van dergelijke teksten is dat de transformatie van het onderwijs (zie de Inleiding in dit boek) ook juridisch zijn beslag heeft gekregen. Conclusie van dit juridische uitstapje: het onderwijs mag zich niet inlaten met partijpolitieke en electorale activiteiten, maar dat betekent niet dat het onderwijs politiek vrijblijvend zou zijn. Integendeel, het staat voor – in één woord – wereldburgerzin. Was dat niet zo, dan zou men vandaag zowat het halve lerarenkorps op staande voet moeten ontslaan, omdat ze binnen en buiten de schoolmuren met hun leerlingen deelnemen aan de activiteiten en projecten van Broederlijk Delen, Amnesty International, School Zonder Racisme, enz. Het belang van het onderscheid tussen politiek en partijpolitiek mag dan ook duidelijk zijn. Dat onderscheid kan men niet reduceren tot het onderscheid tussen ethiek en politiek, aangezien het wel degelijk om het nastreven van maatschappij ordenende deugden en collectieve waarden gaat. Misschien kan men beter spreken van het verschil tussen het partijpolitieke aan de ene kant en het politiek-filosofische of het ethisch-politieke van het onderwijs aan de andere kant.

Alleen, en dit is het echte of niet-semantische probleem, moet er dringend voor worden gezorgd dat het politieke opvoeden verenigbaar blijft met de klassieke vorming door kennisoverdracht, en het (dus) bovenal niet leidt tot indoctrinatie. Anders zijn we terug bij af. Het is ook vooral uit schrik voor indoctrinatie dat leerkrachten voorzichtig zijn en soms niet goed weten wat te doen wanneer het om politieke kwesties gaat. Net daarom schreef ik daarnet dat ik het eens ben met het principe dat de Commissie Zorgvuldig Bestuur aanwendde in beide beslissingen. Niet omdat ik vind dat politieke partijen systematisch indoctrineren, maar uit voorzorg – of iets duidelijker geformuleerd: vooral omdat het electorale gebeuren en de steeds grotere rol van de media daarin vandaag bezwaarlijk kunnen worden gekwalificeerd als van hoog kritisch gehalte. Naast dit principe uit voorzorg hebben we ook dringend een algemeen didactische sleutel nodig waarmee het beleid ervoor kan zorgen dat leerkrachten de vakoverschrijdende eindtermen niet alleen functioneel en effectief kunnen ontwikkelen, maar dat ook zullen doen zonder te indoctrineren.

Indoctrinatie komt neer op het doen ingang vinden van aanvechtbare opvattingen of overtuigingen met als doel dat deze kritiekloos worden aanvaard. Het is dan ook mede daarom dat een LWZ, vooral in de fase van analyse, de feiten en wetenschappelijke inzichten zo objectief mogelijk moet weergeven, door voldoende inhoudelijke voorbereiding of desnoods door het opzoeken van externe expertise of onafhankelijke toetsing (zoals in ons geval bijvoorbeeld tijdens de Starthappening of het CEMIS-congres). Dat zoiets moeilijk gegarandeerd kan worden binnen de tijd van enkele lesuurtjes, zal vrij evident zijn. In tegenstelling tot klassieke projectwerking of de paar uurtjes die zo her en der in enkele vakken aan politiek worden besteedt, investeert een LWZ dan ook meerdere weken in de analyse van zijn thema. Daarnaast moet een LWZ ook onderscheid maken tussen de fase van analyse en de fase van waarden/alternatieven, om wat is niet te verwarren met wat moet. Ook dat wordt, zo hebben we gezien, gegarandeerd door het moreel stappenplan. Ten slotte zal een LWZ naast het expliciet of impliciet bijbrengen van de vaardigheden van kritisch denken, ook ruimte bieden aan de dialoog tussen de leerlingen onderling of tussen leerlingen en voldoende anderen. Dat kan met experts, het opzoeken van het maatschappelijke debat, het overleg met ouders, het organiseren van een politiek debat, enz. De mogelijkheden voor die (voor)laatste fase van het stappenplan zijn legio, maar een minimum aan democratische dialoog dient steeds te worden nagestreefd.

Een LWZ zal zich dus niet bezondigen aan partijpolitiek – neemt niet deel aan activiteiten van politieke partijen of politieke mandatarissen, en organiseert ook zelf geen partijpolitieke activiteiten. Misschien vindt de lezer het relevant te weten dat ik politiek onafhankelijk ben – dat wil zeggen dat ik geen lid ben van een politieke partij – hoewel lidmaatschap van een politieke partij ook voor een leerkracht uiteraard niet verboden is (tenminste wanneer die partij zich schikt naar de democratische waarden uitgedrukt in verschillende mensrechtelijke verdragen, en bijgevolg verenigbaar is met de kritisch wereldburgerlijke oriëntatie van het onderwijs). Maar een LWZ is evenmin zomaar een onderzoek. Meer dan welke leerpraktijk ook symboliseert een LWZ de politiek-filosofische oriëntatie van het onderwijs, teneinde het klassieke curriculum van kennisoverdracht te ondersteunen en een integrale benadering te bekomen voor een betere vorming van jongeren tot wereldburgers, die zich evenwel ver houdt van indoctrinatie. Dat een LWZ ook een oplossing aanreikt voor dit juridische probleem, mag een extra argument zijn voor de algemene invoering ervan in (ten laatste de twee laatste graden van) het secundair onderwijs.

Dus zei ik tegen de directeur dat, hoewel het hier om een onderzoek ging naar hoe we die aanpak het best kunnen realiseren, het traject zelf – voor de leerlingen – meer was dan een onderzoek. Toch kwamen we aan het eind van onze discussie overeen om enigszins aan de wensen van de ouders in kwestie tegemoet te komen. De bedoeling mag immers niet zijn om andersdenkenden opzettelijk te kwetsen: dat zou ook pedagogisch niet verstandig zijn. Bijgevolg zou ik de leerling niet verplichten om een interview af te nemen, maar diende hij wel alle andere onderdelen tijdens de lesuren naar behoren te volbrengen. Of dat een eerbare toepassing van de principes was, wil ik overlaten aan het oordeel van de lezer.

CivicLab doet aan de onderwijsverstrekkers de aanbeveling deze leertrajecten in te voeren in alle scholen en vormen/domeinen van de 2de en 3de Graad secundair onderwijs, wanneer daar i.s.m. CivicLab en de (externe) educatieve sector voldoende praktijkvoorbeelden voor werden uitgewerkt. Daartoe werd door CivicLab reeds een concept van volgende projectfase uitgewerkt.

Het boek Jongeren worden wereldburgers kan men verkrijgen bij uitgeverij Academia Press/Lannoo.

Onder DIENSTEN kan men een studiedag en begeleiding rond LWZ vinden: Transitschool – brede school voor wereldburgers.

Share