Interview voor Knack.be

Interview voor Knack.be , 20/04/2017. Over burgerschap, het verschil met “normen en waarden” en wereldburgerschapseducatie. Publicatie van de uitgebreide versie van het interview.

Mark Saey pleit voor wereldburgerschap: ‘Hervorm het onderwijs en betrek jongeren bij de samenleving’

Bjorn Gens

Een burgerschapsverklaring of stemmen vanaf 16 jaar? Het zijn slechts enkele van de voorstellen die van jongeren (opnieuw) politiek bewuste burgers willen maken. Filosoof en auteur Mark Saey ziet het anders: ‘We moeten via het onderwijs iets zien te veranderen aan de maatschappelijke kennis en vaardigheden van onze jonge burgers.’

In het masterplan PISA 2018 wil de OESO voor het eerst ook peilen naar burgerschap in het onderwijs. Aan de hand van de bekende PISA-rapporten onderzoekt de OESO al jaren de kwaliteit van onderwijs in verschillende landen en in die vergelijkende studies scoort het Vlaamse onderwijs vaak uitstekend. Op het vlak van burgerschap, zo blijkt uit verschillende andere studies, blijft Vlaanderen echter zonder meer ondermaats presteren ten opzichte van de meeste Europese landen. Een hervorming van het secundaire onderwijs dringt zich dan ook op.

Filosoof-leraar Mark Saey wisselt het lesgeven in het GO! Atheneum Oudenaarde af met denk- en schrijfwerk in Rotterdam. In 2014 publiceerde hij het boek Jongeren worden wereldburgers, waarin hij een educatief model voorstelt dat burgerschap bij jongeren helpt te ontwikkelen aan de hand van leertrajecten wereldburgerzin in het secundair onderwijs. Saey zetelt in enkele onderwijscommissies en zijn boek vormt één van de uitgangspunten van huidig academisch onderzoek naar burgerschap in het onderwijs.

Je zet je in voor meer burgerschap in het onderwijs. Het debat over burgerschap wordt ondertussen al enkele maanden gevoerd. Ontbreken ons vandaag dan de normen en waarden die een volwaardig burgerschap garanderen?

MARK SAEY: Om te beginnen moet je een aantal dingen uit elkaar halen. Burgerschap en het verhaal over normen en waarden zijn namelijk twee verschillende zaken. Dat onderscheid moet gemaakt worden, omdat het niet de eerste keer is dat het discours over normen en waarden opduikt. Het komt telkens opnieuw aan de oppervlakte wanneer het economische systeem faalt en politici halsstarrig de macht willen behouden. Indien al geen puur nationalistisch discours, is het meer wel dan niet een discours van machthebbers om de eigen politiek door te blijven zetten. Het is dus eigenlijk een schijndebat. Daaruit spreekt ook altijd de overtuiging dat een gemeenschap wordt opgebouwd uit normen en waarden die zich tot een enge notie van cultuur beperken, terwijl de wereld van vandaag al lang superdivers is door globalisering. We moeten net erkennen dat er in een samenleving universele waarden zijn die eender welke cultuur kunnen overstijgen, maar dat het daarom ook belangrijk is om te leren omgaan met verschil.

En dat noem je burgerschap.

MARK SAEY: Dat klopt. Burgerschap betekent lid zijn van de samenleving zonder er een nauwe culturele invulling aan te geven. Het overstijgt het verhaal over normen en waarden waarbij je pas burger bent van een samenleving als je tot een bepaalde cultuur behoort. Burgerschap verschilt dus van de eigen nationale trots of van nostalgische sentimenten. Op basis van dat onderscheid zou ook het integratiebeleid zich moeten herbronnen. Hoe word je burger van deze samenleving? Vaak neigen we culturele normen te hanteren om dit soort van politieke vragen te beantwoorden. Kan iedere Vlaming bij wijze van spreken bloemkool met kaassaus maken? Ik kan het niet, ben ik daarom geen Vlaming? Bij burgerschap moeten we met universele waarden rekening houden, zoals democratie, tolerantie en mensenrechten. En daar moeten we ook alle schaalniveaus bij betrekken, van het lokale tot het mondiale. Wereldburgerschap dus, of preciezer: wereldburgerzin. Dat is de weg die we moeten bewandelen in een samenleving die vandaag mondiaal is. De ontwikkeling van dat wereldburgerschap start in het onderwijs. Jongeren moeten tijdens het leren betrokken geraken bij de samenleving en vaardigheden verwerven die hen helpen om in een complexe maatschappij te functioneren.

Zijn jongeren zo onverschillig geworden dat een extra focus op burgerschap nodig is? Onder andere Jonathan Holslag kwam eerder al tot die conclusie en stelde als mogelijke oplossing een nieuwe vorm van dienstplicht voor.

MARK SAEY: Onverschilligheid bekijk je best vanuit twee perspectieven. Enerzijds is de opkomst bij verkiezingen in de meeste Europese landen al een hele poos aan de lage kant. Ook verschillende studies tonen aan dat de legitimatie die politieke instellingen en partijen krijgen bijzonder laag is, zeker bij jongere generaties. Is dat onverschilligheid? Je zou ook kunnen zeggen dat die onverschilligheid een manier is om zich van het huidige politieke systeem af te wenden. Dat is dan niet per se apolitiek, maar politiek zonder ideologisch gekleurd te zijn. De vraag hier is simpel: heb je nog vertrouwen in de politiek? Voor veel mensen deugt het allemaal niet meer.

Anderzijds is het natuurlijk ook zo dat veel jongeren gewoon geen interesse hebben in politiek. Recente peilingen leren ons dat slechts een kwart van de jongeren in staat is om politiek nieuws behoorlijk te volgen. Drie vierde geeft dus zelf aan dat ze de politieke berichtgeving niet kunnen volgen. Politiek is niet altijd even boeiend, maar we kunnen wel stellen dat het voor een goed geïnformeerde burger doorgaans ook niet zo moeilijk is. Als veel mensen dan aangeven dat het wél moeilijk is, kan je niet anders dan besluiten dat het hen vaak ook niet al te veel boeit.

Moeten we daarom opnieuw een dienstplicht invoeren om jongeren bij de samenleving te betrekken? Neen, in de betekenis van een legerdienst of een extra gemeenschapsdienst na het onderwijs. Dan zeg ik resoluut neen, want dat is simpelweg een nieuwe disciplinerende houding van hetzelfde falende systeem. Wat wel nodig is, is verandering in het onderwijs zelf. Om integraal te kunnen leren, is praktijkervaring vaak onontbeerlijk. Om die reden ben ik een voorstander om in het onderwijs te zoeken naar intelligente manieren om het curriculum te koppelen aan glokale gebeurtenissen in de buurt. Zo maak je van jongeren wereldburgers.

In het boek ‘Jongeren worden wereldburgers’ doe je een heel educatief plan uit de doeken dat het Vlaamse onderwijs mogelijk maakt om meer nadruk te leggen op de ontwikkeling van burgerschap en kritische zin. Is dat vandaag nog niet aanwezig?

MARK SAEY: De beleidsdocumenten van de meeste Europese landen leggen wel degelijk een sterke klemtoon op burgerschap. Maar wat gepreekt wordt, wordt veel te weinig in de praktijk omgezet. Zowat alle scholen proberen wel iets te doen rond burgerschap. Meestal zijn dat korte projecten. Je hebt ook altijd wel gerelateerde vakken en inhouden die aan burgerschap gekoppeld zijn, zoals geschiedenis of godsdienst. Maar Vlaamse jongeren scoren op zowat alle criteria rond burgerschap in Europese vergelijkingen erg laag. De uitdaging is allang duidelijk: hoe kom je tot een model van burgerschapsopvoeding dat alle invloedrijke factoren aanscherpt en op elkaar afstemt? Een model dat eveneens de balans tussen het overheidsbeleid en de praktijk van de school weet te respecteren. In mijn boek heb ik een werkwijze voorgesteld die zich niet alleen richt op kritische kennisoverdracht, maar waarbij je met de school ook linken legt met de buurt. Ik stel een model voor waarin tegelijk leerkrachten van verschillende vakken samenwerken, leerlingen verbanden kunnen maken tussen de lessen, ze in aanraking komen met diverse maatschappelijke thema’s en ze zich kunnen engageren in de werking van de school en daarbuiten. Zo kan je de burgerschapswerking van de Vlaamse scholen op een hoger niveau tillen.

Je wil dus geen vakken toevoegen aan het klassieke curriculum, maar de werking tussen de verschillende componenten verstevigen. Patrick Loobuyck daarentegen stelt voor om LEF in te voeren, een algemeen vormend vak over Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie.

MARK SAEY: Loobuyck zijn voorstel zal, vooral door de aversie in het katholieke onderwijs maar ook in sommige atheistische kringen, er wellicht nooit komen. Ook in het parlement wordt er regelmatig een ballonnetje over opgelaten, maar er komt weinig verandering. Zijn voorstel is niet slecht, in die zin dat hij probeert om wat er bestaat aan levensbeschouwelijke kennis te versterken. Dat moet gebeuren, dat is evident. Loobuyck zit in dezelfde stroom van denken: we moeten via het onderwijs iets zien te veranderen aan de maatschappelijke kennis en vaardigheden van onze jonge burgers. Zijn perspectief verschilt echter enigszins van het mijne. Hij behandelt het secularisatievraagstuk als kern van de zaak, de verhouding tussen staat en religie. Loobuyck wil die kloof uitdiepen. Bij mij draait het veel meer over het volgende: hoe verbeteren we het burgerschap in het onderwijs? De vraagstelling is dus anders. Het zijn twee perspectieven die enigszins overlappen, maar wel van elkaar wegdrijven bij de uitvoering – naar een nieuw theorievak of een echt integrale benadering.

Hoe we in de praktijk het onderwijs kunnen verbeteren staat centraal. Wat leerlingen nu op school doen in de vakken zedenleer, godsdienst of geschiedenis brengt op dit moment al aardig wat burgerschapskennis bij. Ik zie niet altijd heel veel verschil tussen de huidige levensbeschouwelijke vakken en LEF. En als je dat vak invoert, laat het dan alstublieft verplicht zijn. Maar als je het ene vak wil invoeren, wat moet dan verdwijnen? Dat is telkens een heikele kwestie. Misschien kunnen we zelfs betere resultaten boeken door bij de verschillende levensbeschouwelijke vakken het aspect burgerschap te versterken of door eindtermen burgerschap in enkele andere vakken te droppen zoals de minister het wil. Ik vind de hele discussie rond LEF overdreven, omdat naar mijn mening het verschil in de praktijk niet zo groot zal zijn. Het burgerschap zal er door LEF heus niet zomaar met rasse schreden op vooruit gaan. De integrale benadering van de brede school is van doorslaggevend belang. Er mag van mijn part gerust een vak komen dat rond burgerschap draait, maar dat is niet het essentiële. Mijn model hangt daar dan ook niet vanaf.

Kristof Calvo (Groen) stelt voor om jongeren een burgerschapsverklaring te laten ondertekenen. Verschillende politieke partijen willen bovendien de stemgerechtigde leeftijd verlagen naar 16 jaar. Passen die voorstellen in jouw educatiemodel?

MARK SAEY: Ik zie de meerwaarde van een burgerschapsverklaring niet. Als je de secundaire school met succes doorloopt, dan heb je het getoond. Waarom moet er dan nog eens een extra diploma voor burgerschap bij? Dat lijkt mij eerder wat voor de schone schijn en neigt al snel meer naar het verhaal over normen en waarden dan burgerschap. Ook een verlaging van de stemgerechtigde leeftijd naar 16 jaar zal de politieke betrokkenheid van jongeren niet zomaar aanzwengelen. Het zou wel een incentive kunnen zijn voor het onderwijs om de politieke kennis van jongeren te versterken, maar het houdt ook wel risico’s in. De discussie laat ik liever over aan specialisten, maar persoonlijk ben ik er niet meteen voor gewonnen. Laten we van kinderen niet meteen jongvolwassenen proberen te maken. Het is niet de bedoeling van burgerschapsonderwijs dat jongeren meteen de wereld moeten redden en de beslissingen van volwassen moeten nemen. We moeten ze wel klaarstomen voor een wereld met complexe vraagstukken en mijn model neemt daar het voortouw in.

Op welke manier kan jouw model voor burgerschapsonderwijs aan de politieke kennis van jongeren bijdragen?

MARK SAEY: Een van de grote problemen in het onderwijs is dat leerkrachten zich weinig vertrouwd weten met politieke onderwerpen die voor discussie vatbaar zijn, omdat ze die niet de baas kunnen of meteen denken dat iets ideologisch geladen is. Ze hebben voor een deel gelijk, want er moeten zoveel diverse thema’s onderwezen worden op zo’n korte tijd dat leerlingen niet in staat worden gesteld om over die informatie te reflecteren en kritisch te worden. Meestal moeten leerlingen de aangerijkte kennis maar gewoon slikken. In mijn model wordt indoctrinatie evenwel vermeden. In projecten met een kennis- en doeluik, waar alle leerkrachten van een studiejaar een jaar lang thematisch samenwerken met een haalbaar rotatiesysteem – ieder betrokken vak een tweetal weken lestijd – worden leerlingen geconfronteerd met een concreet glokaal probleem dat een politieke breuklijn verduidelijkt. Rond de open/gesloten samenleving, arbeid/kapitaal of rechtvaardige transitie/groene economie. Ze gaan dan zoeken hoe het probleem in elkaar zit in een analysefase die maanden kan duren en hen leert hoe dergelijke problemen een mondiale context hebben. Data verwerken via wiskunde of een wetenschappelijke benadering in biologie of geschiedenis, lessen duurzaamheid in de houtafdeling, enzovoort. In levensbeschouwelijke vakken gaan ze dan na welke waarden en mensenrechten bij de oplossingen belangrijk zijn. Later confronteren ze de eigen gevormde ideeën met ideeën van externen, onderlegde stemmen van buiten de school. Dat kan perfect in een debat op school waar lokale politici over het onderwerp komen spreken. Op het einde maken ze met onderbouwde kritische standpunten de balans. Zo leert de school jongeren het leren in eigen handen te nemen.

Hoe moet het burgerschap concreet geïmplementeerd worden in het Vlaamse onderwijs? Is een nieuw model wenselijk voor de meeste scholen? De werkdruk is nu al immens.

MARK SAEY: Ik hoop dat het Vlaamse onderwijs naar een model van wereldburgerschapseducatie zal gaan. Het zal onze scholen verbeteren en de burgers van vandaag beter aansluiting laten vinden op de wereld. Ik ga soms spreken op scholen waar ik dan met de leerkrachten kijk hoe het model kan helpen bij wat ze reeds doen, maar zonder steun van hogerop kan je als individu met enkel een goed idee niet veel veranderen. Burgerschap krijgt gewoon niet het gewicht dat het verdient. Ook educatieve verenigingen kunnen niet zoveel veranderen, hoewel zij vaak heel wat expertise en goed lesmateriaal in huis hebben. Zij moeten zich aanpassen aan subsidiëring en dus aan de vraag van meestal individuele leerkachten of die paar idealisten die je her en der in scholen vindt. Het blijft allemaal veel te optioneel of vrijwillig. Om dat te veranderen zouden drie dingen moeten gebeuren. Ten eerste dienen de bestaande benaderingen stap voor stap te worden verbeterd richting de integrale aanpak. Ten tweede dienen de koepels of schoolnetten de benadering te steunen. Ze moeten die niet top-down bevelen, daarvoor zijn scholen teveel gebonden aan lokale omstandigheden, maar wel dienen ze de nood, het bestaan en de voordelen van de benadering duidelijk en gericht te communiceren naar het veld. En ten derde dienen lerarenopleidingen de beste praktijkvoorbeelden bij te benen en hun studenten te leren wat mondiale perspectieven en wereldburgerschapseducatie precies zijn.

Een laatste belangrijke opmerking is dat het model absoluut niet gloednieuw is. Uit de projectvormen die al bestonden en stapels onderzoek heb ik gezocht naar een bestaand functioneel draagvlak. Ik ben uitgekomen bij de GIP, de geïntegreerde proef die al bestaat in het technische, kunst- en beroepsonderwijs. De GIP vormt de basisstructuur van mijn model en heeft zijn nut dus al lang bewezen. Ik voeg daar eigenlijk gewoon een meer algemene pedagogie en de vakoverschrijdende eindtermen of competenties burgerschap van de EU aan toe, en in de jury komen ook vertegenwoordigers van middenveldorganisaties en educatieve verenigingen te zitten. Op middellange termijn kan het ook de werklast voor leerkrachten verlagen, omdat het aardig wat leerpraktijken kan harmoniseren. Aanvankelijk vraagt het wat meer voorbereidingswerk, maar eens die voorbereiding er is, kan een school daar jaren op voortborduren. Je zal zien dat leerkrachten meer samenwerken en dat er een impact is op het schoolbeleid. Het helpt dus niet enkel het burgerschap van jongeren vooruit, maar het komt ook de werking van de school ten goede. Daar hebben schooldirecteurs sowieso oren naar. De uiteindelijke bedoeling is dat iedere onderwijsvorm een zelfde type leertraject krijgt, een WELT-traject: Wereld Educatie Leren voor de Toekomst. Ten laatste vanaf de tweede graad. Leerlingen vergaren meer algemene kennis in BSO en TSO en het ASO ontdekt meer praktijkgerichte vormen van onderwijs, waardoor je de eerste opwaardeert en ook meer gelijkvormigheid bekomt, althans wat burgerschap betreft. Zo worden alle jongeren in het Vlaamse onderwijs wereldburgers.

StumbleUponPrintFriendly